Effectiviteit van Bufferstroken

  De duurzame bodem
  Gebiedsontwikkeling & ruimtegebruik
  Natuur & biodiversiteit
  Waterbeheer & governance
  Dossiers
  Projecten
  EL&I-programma's
  Samenwerkingsverbanden

Home

Projectopzet

Publicaties

Nieuws

Projectorganisatie

Links

 UK


Projectleider:
 
Ir. Gert-Jan Noij
E-mail:
gert-jan.noij@wur.nl 
Tel: +31 (0)317 - 486450

Bemestingsvrije perceelsranden als bufferstroken worden door de Europese Commissie gezien als een effectieve maatregel om de belasting van het oppervlaktewater met nutriënten vanuit de aangrenzende percelen te verminderen. In Nederland wordt de effectiviteit van deze maatregel betwijfeld vanwege de afwijkende geohydrologie. Daarom is in opdracht van de ministeries van VROM en LNV op vijf locaties experimenteel onderzoek opgestart, dat vervolgens modelmatig zal worden opgeschaald. Tevens zal de kosteneffectiviteit worden onderzocht. De resultaten van dit onderzoek kunnen in het overleg met de Europese Commissie worden gebruikt om te bepalen of deze maatregel ook in Nederland moet worden toegepast.



Achtergrond
Bemestingsvrije perceelsranden kunnen worden gezien als een speciale vorm van bufferstroken. Een bemestingsvrije perceelsrand langs waterlopen is een maatregel om de belasting van het oppervlaktewater met meststoffen vanuit landbouwpercelen te verminderen. De Europese Commissie heeft de lidstaten opgedragen een 5 m brede bemestingsvrije perceelsrand te hanteren langs waterlopen. De ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben met de Europese Commissie afgesproken dat deze maatregel voor de specifieke delta-situatie in Nederland vooralsnog alleen geldt langs natuurlijke waterlopen in hoog Nederland. Voor de overige situaties in Nederland moet onderzoek eerst uitwijzen of deze maatregel in Nederland al dan niet kosteneffectief is.

De verwachting
In de internationale literatuur worden soms hoge effectiviteiten gemeld van bufferstroken. Deze studies zijn echter voornamelijk uitgevoerd in voor Nederland afwijkende situaties met helling en/of ondoorlatende ondergrond. In die studies gaat een relatief groter aandeel van de afvoer naar het oppervlaktewater over of door de actieve bovengrond van de bemestingsvrije perceelsrand en mag een grotere werking verwacht worden dan wanneer, zoals in Nederland, het grootste deel van de afvoer onder de bemestingsvrije perceelsrand door stroomt (diepe grondwaterstroming, of via drains). Experimentele gegevens ontbreken voor deltasystemen met relatief diepe doorlatende bovengronden zoals in Nederland. Deze studie zal dus unieke meetgegevens opleveren van de belasting van het oppervlaktewater met en zonder bemestingsvrije perceelsrand. De verwachting is dat de typische geohydrologische situaties in Nederland geen aanleiding geven tot veel extra verwijdering van stikstof en fosfor naast de reductie in bemesting. Naast de effectiviteit op perceelschaal zal in de modelstudie aandacht geschonken worden aan de effectiviteit op regionale schaal. In het onderdeel kosteneffectiviteit zullen de kosten van een bemestingsvrije perceelsrand in bedrijfsverband worden onderzocht en vergeleken met alternatieve maatregelen.

Conclusie
De resultaten van dit onderzoek zijn heel relevant voor het toekomstige mestbeleid en voor de invulling van de KaderRichtlijn Water, omdat het inzicht zal geven in de effectiviteit, en kosten, van de maatregel bemestingsvrije perceelsrand om de stikstof en fosfor belasting van het oppervlaktewater te verminderen.


 

  
Print deze pagina